Start with our free Placement TestTo find the right course for your level, take our free test, quick, online, and personally assessed by a language teacher. Start the test and keep going until you can. This way, we can see your level.It only takes a few minutes. A. Personal Information What is your full name? * First Name Last Name What is your email? * How can we reach you? Country (###) ### #### How old are you? How long have you been living in the Netherlands? A1 Choose the correct answer 1. A. Mevrouw De Bruin is van Nederland. B. Mevrouw De Bruin komt van Nederland. C. Mevrouw De Bruin komt uit Nederland. D. Mevrouw De Bruin is uit Nederland. 2. A. In mei u kunt al beginnen. B. U kunt beginnen al in mei. C. Al kunt u in mei beginnen. D. In mei kunt u al beginnen. 3. A. Ik zal wel even betalen. B. Ik betalen wel even. C. Ik zal wel even betaal. D. Ik wel even betaal. 4. A. Hij heeft een zoon, maar geen dochteren. B. Hij heeft een zoon, maar niet dochter. C. Hij heeft een zoon, maar niet dochters. D. Hij heeft een zoon, maar geen dochters. 5. Woont u in Rotterdam? A. Nee, ik woon in Rotterdam niet. B. Nee, ik woon geen in Rotterdam. C. Nee, ik woon niet in Rotterdam. D. Nee, ik niet woon in Rotterdam. 6. Waarom begrijpt u de docent niet? A. Omdat hij spreekt te snel. B. Omdat hij te snel spreekt. C. Want hij te snel spreekt. D. Want spreekt hij te snel. 7. Waarom ga je naar dat restaurant? A. Omdat het is goed en omdat ik honger heb. B. Omdat het goed is en omdat ik heb honger. C. Omdat het is goed en ik heb honger. D. Omdat het goed is en omdat ik honger heb. 8. A. Hij wil geen Grieks te spreken. B. Hij wilt geen Grieks spreken. C. Hij wilt geen Grieks te spreken. D. Hij wil geen Grieks spreken. 9. A. Waar zijn ons boeken? We kunnen ze niet vinden. B. Waar zijn onze boeken? We kunnen ze niet vinden. C. Waar zijn onze boeken? We kunnen zij niet vinden. D. Waar zijn ons boeken? We kunnen zij niet vinden. 10. Is de doos er al? A. Ja, daar ligt ze. B. Ja, daar ligt het. C. Ja, daar ligt hij. D. Ja, daar ligt hem. A2 Choose the correct answer 11. A. Kom u binnen, dames! B. Koomt u binnen, dames! C. Komt u binnen, dames! D. Komen u binnen, dames! 12. Hoeveel broodjes wilt u?* A. Ik wil graag twee. B. Ik wil er graag twee. C. Ik wil er graag twee broodjes. D. Ik wil graag er twee broodjes. 13. A. Ze zijn eergisteren weggegaan en ze zijn morgen teruggekomen. B. Ze hebben eergisteren weggegaan en ze komen morgen terug. C. Ze gaan eergisteren weg en ze zijn morgen teruggekomen. D. Ze zijn eergisteren weggegaan en ze komen morgen terug. 14. A. Ik heb de rekening nog niet betaald. B. Ik heb de rekening nog niet gebetaald. C. Ik heb de rekening nog niet betaalt. D. Ik heb de rekening nog niet gebetaalt. 15. Mijn vader is ziek, A. maar ik heb de dokter nog niet geopbeld. B. maar ik heb de dokter nog niet gebeld op. C. maar ik heb de dokter nog niet opgebeld. D. maar ik heb de dokter nog niet opbellen. 16. Peter gaat naar de markt A. om fruit te kopen. B. om te fruit kopen. C. om te kopen fruit. D. om fruit kopen. 17. Wat voor een huis heb jij? A. Ik heb een mooie huis met groot kamers. B. Ik heb een mooi huis met groot kamers. C. Ik heb een mooi huis met grote kamers. D. Ik heb een mooie huis met grote kamers. 18. A. Toen ik klein was, we woonden in een grote stad. B. Toen ik klein was, woonden we in een grote stad. C. Toen ik was klein, woonden we in een grote stad. D. Toen was ik klein, we woonden in een grote stad. 19. Is het druk in de stad? A. Ja, er lopen de mensen in de stad. B. Ja, er veel mensen lopen in de stad. C. Ja, veel mensen er in de stad lopen. D. Ja, er lopen veel mensen in de stad. 20. Wilt u nog thee? A. Nee, ik wil nog geen thee. B. Nee, ik wil niet thee meer. C. Nee, ik wil geen thee meer. D. Nee, ik wil nog niet thee. B1 Choose the correct answer 21. A. Mevrouw De Bruin zit aan het koken. B. Mevrouw De Bruin is aan te koken. C. Mevrouw de Bruin is te koken. D. Mevrouw De Bruin is aan het koken. 22. A. Hij koopt de auto niet, want hij heeft geen geld. B. Hij koopt de auto niet, want hij niet geld heeft. C. Hij koopt de auto niet, want hij geen geld heeft. D. Hij koopt de auto niet, want hij heeft niet geld. 23. A. Wat zitten jullie over te praten? B. Wat zitten jullie te praten over? C. Waar zitten jullie over te praten? D. Waar zitten jullie te praten over? 24. A. Ik weet niet of Peter komt ook naar het concert. B. Ik weet niet als Peter komt ook naar het concert. C. Ik weet niet als Peter ook naar het concert komt. D. Ik weet niet of Peter ook naar het concert komt. 25. Toeristen zijn mensen A. dat graag op reis gaan. B. die graag op reis gaan. C. wie graag op reis gaan. D. waarmee graag op reis gaan. 26. A. Toen stond ik vanmorgen op, het was nog donker. B. Toen ik vanmorgen opstond, was het nog donker. C. Toen ik vanmorgen op ben gestaan, het nog donker was. D. Toen ik vanmorgen opsta, was het nog donker. 27. Ik heb gisteren een nieuwe oven gekocht. A. Daar ik erg blij mee ben. B. Daarmee ik ben erg blij. C. Daar ben ik erg blij met. D. Daar ben ik erg blij mee. 28. Kunt u mij zeggen A. hoe laat vertrekt de trein naar Den Haag? B. hoe laat de trein naar Den Haag vertrekt? C. of hoe laat de trein naar Den Haag vertrekt? D. hoe laat naar Den Haag de trein vertrekt? 29. A. Zij hebben zich voor het feest verkleed. B. Zij hebben voor het feest verkleed. C. Zij hebben voor het feest zich verkleed. D. Zij hebben hun voor het feest verkleed. 30. A. Als ik veel geld heb, zou ik een duurdere woning kopen. B. Als ik veel geld had, ik zou een duurdere woning kopen. C. Als ik veel geld heb, ik zou een duurdere woning kopen. D. Als ik veel geld had, zou ik een duurdere woning kopen. 31. Mijn moeder ligt in het ziekenhuis. A. Ze is gisteren geopereerd. B. Ze wordt gisteren geopereerd. C. Ze is gisteren worden geopereerd. D. Ze is gisteren geopereerd geworden. 32. Lees de tekst en beantwoord de vragen. "Maria woont in Nederland sinds 2022. Ze werkt als kapster in een kapsalon. Op zaterdag doet ze boodschappen op de markt. In haar vrije tijd leest ze boeken of kijkt tv. In de zomer gaat ze vaak naar het strand." Waar werkt Maria? Wat doet ze op zaterdag? Wat doet ze in haar vrije tijd? Sinds wanneer woont ze in Nederland? Waar gaat ze in de zomer naartoe? 33. Opdracht:
Schrijf 5 zinnen over je ochtendroutine. Gebruik minstens 3 scheidbare werkwoorden en 1 reflexief werkwoord. Gebruik de tegenwoordige tijd. 34. Kies het juiste woord uit de lijst en vul in (A2). Ik voel me niet goed. Ik ben _______. hoofdpijn apotheek medicijnen ziek afspraak Ze heeft _______. Ze neemt een paracetamol. hoofdpijn apotheek medicijnen ziek afspraak Hij haalt zijn _______ bij de apotheek op. hoofdpijn apotheek medicijnen ziek afspraak De dokter werkt in een praktijk naast de _______. hoofdpijn apotheek medicijnen ziek afspraak Ik maak een _______ bij de huisarts. hoofdpijn apotheek medicijnen ziek afspraak 35. Kies het juiste woord uit de lijst en vul in (A1). Wij koken in de _______. slaapkamer keuken buren woonkamer huur Ik slaap in de _______. slaapkamer keuken buren woonkamer huur De _______ zijn vriendelijk. slaapkamer keuken buren woonkamer huur De _______ is groot en licht. slaapkamer keuken buren woonkamer huur Hoeveel betaal je voor de _______? slaapkamer keuken buren woonkamer huur Thank you! Great job! We’ll get back to you soon with the next steps!